Het zou een jager

Het zou een jager uit jagen gaan,
Uit jagen zou hij er gaan
En hij vond er wel niets te jagen,
Ja, te jagen dan drie jonkfers schone,
Maar die ene van die drie die was zijn lief.
Maar die ene van die drie die was zijn lief.

"Ik wens u drie├źn goede dag!
Maar die jongste die moet met mij gaan.
Ik wil haar zo ver geleiden
Over velden en die groene weiden
En waar schoon blauw bloemkens in het koren staan.
En waar schoon blauw bloemkens in het koren staan.

Het duurt er wel deze klare dag,
Tot zo lange als het maantje schijnt.
Keert uw hoofdje naar mij omme,
Gij, die alderschoonste rozeblomme,
Kom en spreek dat ene woordje "ja" tot mij."
Kom en spreek dat ene woordje "ja" tot mij."