woordverklaringen

Aandacht: nadruk
aan dans: in de strijd
aangedaan: gekleed
aankomen: aanvallen
aanzien: ontfermen over
aar: ander
agnus ...: Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt, ontferm U over ons
als: zoals

Babbaard: klein kind
Bacchus: god van de wijn
bagge: varken
balg: buik
band: boei
bast: strop
begeven: verlaten, veranderen
beiden: wachten
bekken: bad
bekwame: gunstig
belaân: verdrukt
benedicamus ...: .laten wij de Heer loven
bêrestok: stok om de dekens achter in de bedstee te stoppen
bespreiden : bespatten
bestier: (nood)lot
betrachten: nastreven
bevaan: bevangen, vervuld
bewald: ommuurd
bienen: benen
biezebomen: van donkerbruine stof
bist(e): zijt
blankmatroos: zeematroos
blokken: klompen
boel: liefje
bona nox . .. : goede nacht, je bent een echte os, goede nacht, lieve Lotte, foei, foei, goede nacht, vooruit naar bed, word je sterk, slaap lekker, blijf gezond en word zo rond als een kogel
bonnetje: muts
bont en grauw: kostbare kleren
boom: grens
boomkens tellen: zich vervelen
borsen: beurs
borsten: barstten
boven wezen: in extase
brand: stuk brandhout
bravade: bravour
Bredefjord: Breidifjord op IJsland
brengen om: beroven van
brio ...: de brug is dicht en het schip moet er door, doe, bruggeman, je plicht, een schip voor een stuiver, dat is niet te duur

Cabriolen : sprongen
cacatum . . . : een hoop mest is nog geen schilderij
cantate Domino: zingt den Heer
Ceres: godin van de veldvruchten
Christi presentia: in Christus' tegenwoordigheid
chromatisch: met veel (moeilijke) kruisen en mollen
Claire: Kaap Clear
commère: kletskous
confuis: in verwarring
consent: toestemming
const: kunst
coron imperiale: keizerskroon (bloem)
couleur: kleur

Dapper: hevig
deern: meisje, maagd
de rei ...: hij heeft het er levend afgebracht
derven: missen
deugd: plezier
di: U
dictum: spreuk, gezegde
dier: duur
dier: meisje
dis: tafel
doeget op: doe open
Domine requiem: Heer, (geef) rust
dona ...: geef ons vrede
doornaaid: listig
dou: toen
dou: jij
douairière: adellijke weduwe
draaiing: trapper in een spinnewiel
dracht: kind
dragen : gedragen
du: gij
duren: (het) uithouden
dwingen: bedwingen

Ecce , .. : zie de vreugde van de wereld
echt: gehuwd
eel: edel
eenpaar: samen
eglantier: wilde roos
ego sum ...: ik ben arm, ik heb niets en ik kan niets geven
ek: ik
en: (versterking van) niet
ende: en
erg: verdriet
ergo ...: met recht dus

Femel: zeur
fides ...: het geloof is het leven van de ziel, zoals de ziel het leven is van het lichaam
figure: gelaat
fooie: kermis
fraai: waarachtig
frikadel: bal gehakt
fris: opgewekt
Frisia...: Friesland zingt niet
fruitpan: soort bakpan

Gast: vreemdeling
gaudio: vreugde
gauwe: snelle, scherpe
gebeid: gewacht
gebenedijd: gezegend
gedwagen: gewassen
geen(re): gindse
gelusten: behagen
gemeen: eenvoudig
genas: baarde haar kind
gerei: belieft, uitkomt
geren: gaarne
gerijven: helpen
geslicht: verwoest
gestanden : gestaan
getraagd: getalmd
gewracht: gedaan
gezand: gezonden
gier: begerig, dorstig
gloos: praat
goed: bezittingen
gram: nijdig
gratie: genade, gunst
grief: verdriet
grond: inborst
gulden: goud

Haan: haen: hebben
haar: zich
hailegoar: helemaal
hän: hand
harteboef: harteboer
haspen: 1. Garen op de haspel winden
haspen: 2. Opwinden (ook in erotische zin)
hem: zich
hän: hebben
hoc: nu
hoeze: huis
holleblok: klomp
hoor: hoofd
horen: haar
houwen: doen wat hoort
huden: heden
huis: sterkte
hupse moed voeren: zeer opgewekt zijn
hypochondrist: zwaarmoedig mens

Idone: lief
ie: ooit
iever: ijver
immer: toch
in dulci ...: met lieflijk gejuich
in nomine...: in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest
in regis ...: in het paleis van de Koning
in te ...: in U is al het verhevene, 0 maagd Maria, vol van Gods genade
intervallen: toonsafstanden
in 't gemein: samen
intijds: tijdig
in trouwen: heus

Kaak: wang
kadulletjes : gezellige venten
kakies : Engelsen
kalamanden: geglansde wollen stof, gestreept of gebloemd
kapoen: haantje
kazak: jas
kedelijn: kieltje
keerle: lang overkleed
kerstavond: avond voor kerstmis
klaar: helder
klappen: babbelen
klaret: soort trompet
knapzak: etenstas
knecht: jongen
kol: groot sleepnet
kop: heuvel
korslijf: soort korset, doch als prachtig versierd overkleed
krek: precies
kreet: huilde
krischen: huilend
krochen; kuchen
kruis: muntteken
kruud: gras
kwene: (kwaad) wijf
kwezel: overdreven vrome, schijnheilige, pietluttige vrouw

Laget: zwarte edelsteen, git
laif: lief
lan: land
lanterlu: kaart uit kaartspel
lapzak: plunjezak
laten: in de steek laten
leisen : liederen met soort refrein
leit: zonde
Lezaars: kaap Lizzard
lieden: vertrekken
lodderig: levenslustig
loeg: lachte
loes: leus
loos: ondeugend
loverkens: lauweren, eer
lijne(waad): linnen
lijdt u: weest geduldig
lijdzaamheid: geduld

Maar: bericht
mach: kan
Mälzel: uitvinder van de metronoom
Maraan: Spanjaard
markijnen: van marokijn leer
mei: meiboom, versierde berk, den, beuk of wild~ roos, door jongen voor het venster van zijn meisje geplant
mert: markt
metten: ochtendgebed
mielies : vruchtboom
minioot : lieflijk
miserere ...: ontferm U over mij, Heer, en verhoor mijn gebed
mocht: kan
moed: ziel
moeten: mogen
moezeltje: doedelzak
motet: godsdienstig meerstemmig gezang
mouder: moeder
mijdt zich: schrikt terug
mijnder : mijn

Na di ... : ik verlang zo naar u
na: in de buurt
nait: niet
niet: niets
noaber: buurman
noen: middaguur
non nobis ...: niet aan ons, Heer, maar aan Uw naam de glorie
no(od): noodgedwongen
nood: behoefte
nooi: meisje
nova cantica/tripudia: nieuwe liederen/dansliederen.

Oet: uit
oflaat: hou op met, zinspelend op 'aflaat'
onbedekt: zonder dak
onderzaten: onderdanen
onghemeten: onmeetbaar groot
onlijdig: onduldbaar
onnoosle: onschuldige
ontloken: open(baar)
ontvaân: ontvangen
ontvreden: boos
onverveerd: onbevreesd
oorboren : van pas komen
oorlof: vaarwel
oorlof nemen: afscheid nemen
openbaren: duidelijk worden
openleggen: uitleggen
opgeving: in de lucht vliegen
oprechten: oprichten
overhand: om beurten
overlange: (reeds) te lang
overlegd: overwogen

Pais: vrede
papen: priesters
paruke: pruik
parvule: klein
Pater . ..: Onze Vader, die in de hemelen zijt
pendant: hanger
pikkelstoel : driepoot
pinksterblom : meisje
plateel: schotel
pleterde: spatte
pots: muts
pre ... : tegen de koude
presepia: kribbe
princeps ...: Vorst der heerlijkheid
proemedanten: gedroogde pruim
psallite ...: zingt onzen God
pije: zeer grove stof

Quia ...: want Hij heeft wonderen verricht
quijt: verlost van

Raad: mogelijkheid
rara ... : zeldzaamheden zijn kostbaar of kostbaarheden zijn zeldzaam
recht: echt
rechten: behoren
regiment (p. 7 en 9): heerschappij
regis ...: hof van de Koning
rene: zuiver
reuzegom: reus
rex ...: Koning der glorie
roere: onrust
Rokol: Rockall
rombom: trommel
rooinek: Engelse soldaat
rotst: rijdt wild
Rooise: uit St. Oedenrode (N.Br.)
rouw: smart
rijfstok: hengel

Saan: weldra, terstond, nu
sanctus: heilig
sane: room
sa vieren: met z'n vieren
schapraai: etenskast
scheut: schot
Schorels : Scilly Eilanden
schorten: ophouden met
schot: hok
schuin: jong (fr. jeune)
schijn: prachtige kleur
secreten: geheimen
sekreten: geheimen
seraphinse: van een serafijn
serviteur: dienaar, vrijer
signor abbate ...: eerwaarde, ik ben ziek, heilige vader, geef mij uw zegen
sine ...: zonder muziek geen leven
Sint Jan: kerkelijk feest op 24 juni
skaam : bang
skelm: plagerig
slab baard : knoeipot
slaif: slungel
slecht: eenvoudig
sleter: vod, slet
slim: verkeerd
smalen: pochen
smeren: smullen
sneven: sneuvelen, omkomen, sterven
sophist: spitsvondig drogredenaar
spade: laat
spanceren : wandelen
spint: zeven liter
stadig: steeds
stede: stad
stedicheit: standvastigheid
stennen: steunen
stiel: vak
stillen: verzadigen
stoeg: stond
stof (groene): weide
stoop: kan
storm: bestorming
straal: pijl
strange: vast, stevig
strijkstok: klein schepnet aan lange stok
stutten: tegenhouden
stijf: hard
suze naanje ...: s.z. ik wieg je, als je wat groter was zou ik je slaan, maar je bent me nog veel te klein, ik moet je nog wat
door de vingers zien

Tegenheid: tegenspoed
temet: soms
tempeest: storm
ten boosten: op het allerergst
ten spijt: tot verdriet
toeze: thuis
toorteltje: pin op spinnewiel, waar het vlas op gestoken wordt
tou: toen
trahe .. ,: trek mij tot u
trein: stoet, optocht
tresare: schat
tu puer ...: gij allerbeste kind

Ubi ...: waar is de vreugde

Vaer hennen: ga weg
vaillant: moedig
varen: bang maken
varen: rijden
vanitas ...: ijdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid
veelke: soort viool
veer: ver
veinzen: bedekken
Venus: godin van de liefde
verbracht: verteerd
verbijten: doodbijten
verdrag: uitstel
vererg: schade toebrengen
vergangen : vergaan
verholen: heimelijk
verloost: verloren
vermijen: bang zijn
verslonnen: tot niets teruggebracht
verval: overvallen
verwezen: veroordeeld
vier: vuur
violetten: viooltjes
virtuut: deugd, het goede
viva la musica: leve de muziek
vive le: leve de
v'lei: vallei, dal
vloot: grote rog
Vogelscharen : Fuglshare
voois: melodie
voortkruien: vluchten
vroom: dapper (en godsdienstig)
vroude: vreugde
vrij: zeer
vijand: duivel

Waar: als
wagen: golving
waren: ronddolen
wederpaar: (onmisbare) wederhelft
wee: pijn
wel: zeer
welgemeid: lustig
wezen: aard
wezen: gelaat
wicht: kind
woedig: wreed
wanne: weelde, lust
wreed: onbarmhartig
wuf: vrouw
wijl: tijd

Zat zijn: genoeg hebben van eten en drinken
zelf: zelfs
zoet: zacht
zwierig drijven: het sierlijke drijven (van wolken)
zijn: (zo) blijven