Daar komen drie koningen

Daar kwamen drie koningen met een ster,
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Uit vreemde landen, het was zo ver!
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

Ze kwamen de hoge berg op gegaan,
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Ze zagen de sterre klaar stille staan.
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

"Och! sterre, ge moet er zo stille niet staan,
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
We moeten nog t'avond naar Bethlehem gaan!"
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

De sterre ging voren, ze volgen ze naar,
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Totdat ze bij koning Herodes waar".
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

Herodes die sprak met een valsen hart:
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
"Hoe ziet er die jongste van u zo zwart?"
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

"Al ben ik zwart, ik ben wel bekend:
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Ik ben er de koning van Oriƫnt!"
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

Zij gingen toen met hun grote trein
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Naar Bethlehem, dat stedeke klein.
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

Zij hebben vol ere en grote ootmoed
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Dat kindeke Jezus zo vriend'lijk gegroet.
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.

Zo kleine kind, zo grote God:
Nu wiegen, nu wiegen, nu wiegen al wij,
Een zalig Nieuwjaar verleen' ons God!
Nu wiegen al wij, toen waren zij blij,
Al onze troost en ons toevloed:
't Is Maria zoet.